Achter slot en grendel

Proloog.

Met één hand op de leuning van de stoel  en de andere op zijn kruis, waar ze wat kracht op uitoefende, stond ze over hem heen gebogen. Hij snakte naar adem en zijn ogen werden nog groter. Hoe vaak had hij wel niet van die films gezien? Waarbij het slachtoffer een prop van kleding in zijn mond geduwd kreeg. En altijd had hij gedacht dat er zo uit te krijgen, in zo’n situatie. Maar nu hij hier zat, het zweet op zijn voorhoofd, handen vastgebonden achter zijn rug en een doek is zijn mond, was het anders.

“Lul,” siste ze en ze spuugde in zijn gezicht.

“Emily, ben jij dat?” Een stem van bovenaan de trap weerklonk galmend in deze kleine ruimte. Ze raakte licht in paniek.

“Ja! Ik kom zo!” Haar stem klonk trillerig, maar de onbekende man nam er genoegen mee.

“Neem zo nog wat bier mee, wil je.” Riep de man nog voor hij bij de deur wegliep.

“Met jou reken ik later af, mannetje, je hebt geluk vanavond.” Ze grijnsde gemeen en gaf hem een klap in zijn gezicht. “En dat is nog maar het begin, schatje,” zei ze liefkozend en kuste hem op zijn voorhoofd. Hij probeerde haar te ontwijken. “Als je moeilijk doet, krijg je het dubbel zo moeilijk.” Ze knipoogde naar hem, pakte een paar blikjes bier uit de koelkast en liep naar boven zonder nog om te kijken. Het licht ging uit en het was plots pikkedonker.

De eerste tranen kwamen.

Hoofdstuk 1.

“Hoe durf je me dit te brengen? Je weet dat ik van dat andere bier houd!” Tom keek met angstige ogen half omhoog en hoorde hoe de man tegen Emily tekeerging.

“Het spijt me, maar iets anders lag – “ Probeerde ze te zeggen.

“Iets anders ga je dan nu verdomme halen!” Tom hoorde wat gestommel voordat hij een deur dicht hoorde slaan. Waren ze nu allebei weg? Of alleen Emily?

Langzaamaan kwam hij weer een beetje op adem en hij voelde hoe zijn tranen opgedroogde sporen van zout achter hadden gelaten. Toen zijn ogen eindelijk een beetje minder prikten kon hij om zich heen kijken.  Hij nam de omgeving goed in zich op. Gewoon, voor later.

Het onvermijdelijke, en vreselijk op zijn zenuwen werkende, gezoem was afkomstig van een koelkast die tegen een eikenhouten trap aangeschoven stond. Versuft als hij was knipperde hij een paar keer met zijn ogen en probeerde zich voor het geluid uit te sluiten. Het resultaat was dat ie zich er enkel nog meer op concentreerde. De deur van het ding hing nogal scheef, het was nog een wonder dat ie bleef hangen. Hij schudde langzaam zijn hoofd, had de wilskracht nodig om zich te focussen.

Hij keek op en zag dat aan de andere kant van de kleine ruimte twee hoge kasten stonden. Het waren mooie kasten, als je voorbij al het kapot geslagen glas keek. Bij sommige deuren was het glas nog heel maar bij de meesten lag het aan diggelen. Op sommige planken kon hij nog net wat boeken onderscheiden, maar deze stonden te ver weg om te kijken welke het waren.

Alsof het een soort van kleine woonkamer was stonden er hier ook een tweezitsbank en een fauteuil. Wat meteen opviel was dat beide banken niet heel meer waren, hier en daar kwam de vulling er zelfs uit. Uit de fauteuil kwam zelfs een springveer en als je goed keek leek het wel alsof er een dun laagje zand op lag.

Boven een van de banken kon je als je goed keek twee ruiten ontdekken. Het licht van buiten werd enkel tegengehouden door een aantal krantenpagina’s die er tegenaan waren geplakt. Een dikke laag stof sierde elk deel in de ruimte. Het gaf deze kleine ruimte een smoezelig effect en een rilling bekroop zijn ruggengraat.

Nu hij zich wat rustiger gedroeg drong de zware geur van urine ook in zijn neus en hij probeerde de slikken. De nerveusiteit kroop langzaam zijn lichaam in en hij voelde hoe zijn hart sneller begon te slaan. Als dit zijn kans was, om te ontsnappen, moest ie opschieten. Zijn ogen keken vluchtig de kamer rond, op zoek naar een scherp voorwerp om zijn handen mee los te maken. Maar in dat geval was deze kelder brandschoon. Niets greep zijn blik wat hem zou kunnen helpen. Moedeloos zakte hij een klein stukje terug in zijn stoel. Zijn ogen werden groter door zijn gedachtestroom  en de situatie drong nu pas echt tot hem door. Hij probeerde uit alle macht los te komen, maar zijn handen zaten simpelweg te goed vast.

Waar was hij in godsnaam terecht gekomen? En hoe?

Op een gegeven moment voelde hij zijn keel droog worden en zichzelf wat licht in zijn hoofd. Dit was geen moment waarop hij buiten bewust zijn wilde raken. Maar hoe anders zou hij hier dan zijn gekomen? Hij voelde zijn benen langzaam verlammen van angst. Zijn benen waren zo erg nog niet, als ie zijn hoofd er maar bij hield. Dat was het belangrijkste.
Hij probeerde een klein beetje op de prop te kauwen, hoewel hij het idee kreeg hij elk moment kon stikken, slaagde hij erin om het geheel redelijk rond te maken – voor zover dat kon – en spuugde de prop uit. Het natte stukje kleding landde op zijn schoot. Hoe ironisch – met al zijn vorige vriendinnen had hij de liefde bedreven en met zijn mond het slipje van hen ontdaan. Het was toch even anders nu hij het doorweekte ding zo op zijn schoot zag liggen.

Geluid vocht zich een weg naar buiten.
En hij schreeuwde. Hij schreeuwde alsof zijn leven er vanaf hing.
Hij schreeuwde omdat zijn leven er vanaf hing.

Hoofdstuk 2.

“Houd godverdomme je bek dicht!” Werd er van bovenaan de trap geschreeuwd.

Tom kromp ineen en voelde de tranen alweer prikken in zijn ogen. Wat was hij eigenlijk een watje. “Wie denk je wel dat je bent, hè?” De onbekende man kwam langzaam de trap af. Halverwege spuugde hij iets richting Tom, terwijl hij met één hand weer iets nieuws in zijn mond deed. Zonnebloempitten. Tom sloot zijn ogen om zich te kunnen focussen op één ding, hopende dat de man weg zou gaan.

Zijn gedachten en gevoelens namen hem ergens anders heen. Hij probeerde al hetgeen wat voor hem stond uit te sluiten alsof dit een slechte droom was. Hij werd immers maar als te goed herinnerd aan een voorval met zonnebloempitten.

“Kijk eens wat mijn moeder heeft gekocht!” Hoorde Tom achter zich en liet zijn knikkerspel met rust – nieuwsgierig als hij was. De rest van de vriendengroep verzamelden zich allemaal rond Timmy die een grote papieren zak trots in zijn handen hield. Je zag bijna elke jongen van de groep zich een weg naar Timmy wringen.

“Wat is dat?”
“Laat zien!”
“Er zal vast wel niks in zitten,” riep één van de jongens spottend.
“Kom op, Timmy, laat zien dan!” Moedigde Tom hem aan en Timmy liet de inhoud van de zak zien.
Zonnebloempitten. Gezouten zonnebloempitten van kruidenier Boersma.

Tom kon zich nog goed herinneren dat Timmy die avond flink op zijn donder had gekregen. De pitten waren uiteindelijk voor iemand anders bedoelt en nu had de vijfkoppige vriendengroep de hele zak leeggegeten. Maar hij had Timmy nooit horen klagen. Wat wil je dan ook, Timmy was die dag van een nul naar een tien gegaan.
Op het speelterrein, of je nu een traktatie had, snoep of in dit geval zonnebloempitten, als je het uit kon delen, was je de baas van het terrein.

Achteraf was het een van de meest trieste dagen ooit.
Timmy hád ook nooit echt kunnen klagen ook. Die dag werd namelijk duidelijk dat Timmy allergisch was voor zonnebloempitten. Triest hoe een jongen gewoon alleen populair wilde zijn, zo aan zijn einde moest komen. Diezelfde avond is hij overleden, op zes jarige leeftijd.

Heb je dat ook wel eens? Dat wanneer je in een benauwende situatie terecht komt, dat je je op dat moment geen raad meer weet? In zo’n geval neemt je onder bewustzijn je mee naar een plek wanneer jij je wel gelukkig of fijn voelde. Een bepaalde herinnering die jou diep van binnen zielsgelukkig maakt. En misschien daarom juist dat het lijkt dat Toms onderbewustzijn een niet al te vrolijke, haast bizarre herinnering voor Tom had uitgekozen – maar die dag voelde hij zich oprecht gelukkig. Timmy was die dag voor heel kort populair en Tom had hem niets liever willen wensen. Een glimlach. Voor Timmy.

Tom voelde hoe een pit tegen zijn hoofd werd gespuugd. “Wat zit jij verdomme te glimlachen, hè? Je denkt dat je heel wat bent, hè? Maar in werkelijkheid ben je niemand.” Tom schrok toen de man opeens snel de trap af kwam lopen en hem bij zijn keel beetpakte, zijn luchtpijp langzaam dichtkneep. Tom snakte naar adem en probeerde zijn hoofd weg te draaien, maar de man kneep zijn keel hierdoor alleen nog maar meer dicht. De man nam zijn tijd, draaide snel zijn hoofd weg en spuugde een pit uit en keek hem daarna weer aan. De man liep al grijnzend een rondje om Tom heen.  “Hier niet.”

Een zweetdruppel droop omlaag langs Tom zijn slaap en hij voelde hoe al zijn spieren ditmaal zich aanspande van angst. De man lachte hardop. “Oh nee, mannetje, hier niet.” Hij boog zich ineens naar Tom toe om dicht bij zijn oor te fluisteren, “Hier ben je van mij.” Tom voelde hoe hij zichzelf onbewust wat dichter tegen de stoel aandrukte.

Met kleine, schichtige varkensoogjes keek de man hem aan. “Je bent van mij, hoor je dat!” De man duwde Tom zijn hoofd ruw naar achter. “En nu godverdomme je bek houden.” De man spuugde ruw nog een pit tegen Tom zijn hoofd aan en liep langzaam de trap op. 

Pas toen de deur met een klap werd dicht gegooid, durfde Tom weer rustig adem te halen. Hij keek versuft om zich heen, het leek wel of al zijn krachten op waren.
Het enige wat hij van dit korte moment kon herrineren was dat de man naar alcohol rook. Hij sloot langzaam zijn ogen en probeerde weer op adem te komen, terwijl er één vraag door zijn hoofd heen spookte: Wat willen ze van mij?

Machteloosheid werd een onderschat begrip.
Het enige wat je kon doen is proberen je staande te houden en je erdoorheen slaan.
En dat is wat Tom probeerde, zich hier doorheen slaan.


Eén reactie to “Achter slot en grendel”

  1. Mooi en spannend geschreven!

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.